Alkmaar naar Menton – koorts, heimwee, Jacques 84, jarige – dag 73 – van Col de Colombiére naar Auron

’s Nachts is het een komen en gaan van dieren bij de drinkplaats naast mijn tent. Zwijnen snuffelen rond, knorren wat en eentje laat een scheet die wel heel strategisch richting mijn hoofd lijkt te gaan. Ook marmotten komen vermoedelijk nieuwsgierig langs. Vanaf vier uur wordt het ijzig koud; de wind hakt er hier boven op de berg stevig in. Ik had gehoopt dat de zon me zou wekken, maar mijn tent staat niet op de juiste berghelling. Het is het licht dat me wakker maakt, niet de warmte. Met tegenzin pak ik in – na een koortsige nacht is de motivatie laag – maar na overleg met thuis stel ik plan A en plan B op. Zo hoef ik onderweg geen beslissingen te nemen op basis van een dip.

De ochtend is adembenemend mooi. De natuur verandert: nieuwe struiken, onbekende geuren die voorbij waaien, en vooral hagedissen in alle soorten en maten. Tussen de rotsen zie ik wilde tijm en lavendel groeien. De afdaling brengt me naar het piepkleine Saint-Dalmas-le-Selvage, slechts 131 inwoners, maar officieel al deel van de Alpes-Maritimes en dus van Nice. Wat een contrast: de overweldigende natuur en dit compacte dorpje, hutje mutje gebouwd tegen de bergwand.

Ik heb nauwelijks gegeten – gisteren niets, vanochtend alleen een appel en een koekje – en wandel stapje voor stapje, reepje voor reepje. Dan hoor ik geroep achter me: Jacques, de 84-jarige wandelaar, herkent me aan mijn woestijnpetje. Hij vertelt dat hij gisteren twaalf uur liep omdat er geen plek voor hem was, en hij dus door moest. Zijn veerkracht is bewonderenswaardig. Samen dalen we verder, hij kletst, ik luister. Hij denkt dat ik misschien ziek ben door de hoogte. Zelf weet hij het ook niet. Echt Frans: hij wijst me alvast op de pharmacie in het stadje beneden.

We bereiken Saint-Étienne-de-Tinée, met 1200 inwoners en een ziekenhuis waar zelfs een helikopter kan landen. Een stadje met alles: een middelbare school, kabelbaan en een imposante DOM vol kleurrijke Italiaanse beschilderingen. Jacques nestelt zich op een terras en bestelt pizza; ik kies de mini-supermarkt. Slechts zestien vierkante meter groot, maar buiten een uitstalling van twintig vierkante meter verse groente. Ik koop veel te veel, maar alles waar ik zin in heb. Op het plein nemen Jacques en ik afscheid – hij blijft hier, ik ga door. Toch vermoed ik dat ik hem nog tegenkom, waarschijnlijk gratis met de kabelbaan naar boven.

De middag is zwaar. Ik besluit opportunistisch de klim te maken naar Auron, het skioord van Nice. Al na een paar honderd meter struikel ik cartoonesk – blij dat niemand me ziet. De paden liggen vol los grind, ik moet elke stap controleren. Na vijfhonderd meter stijgen ben ik leeg. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt nog verder te lopen. Auron blijkt een skidorp vol luxe chalets en dure auto’s met Monacokentekens. In de supermarkt, opnieuw zestien vierkante meter maar ditmaal met veertien klanten tegelijk, heerst chaos. Ik lach erom en vul mijn tas met groente, fruit en stokbrood. Tijd voor mijn favoriete broodje: avocado met tomaat.

De camping blijkt een trailerpark met stacaravans. Geen charme, wel praktisch. Ik vind een plek met picknicktafel en eet tweeënhalf uur achter elkaar. De eetlust is terug – eindelijk! Daarna douche ik heet, zo heet dat er een kookwas in zou kunnen. Heerlijk, want ik heb het alweer koud. Het dringt door: een sportshort is niet de juiste outfit meer voor de Mercantour. Hier is de zomer voorbij.

’s Avonds worstel ik met mezelf. De heimwee is heftig en overschreeuwt soms alles. Ik ben klaar met de Franse taal om me heen, de bergen en het ritme van dagelijks wandelen. Een all-inclusive resort lonkt, of gewoon thuis zijn. Ik check de trein, maar alles is vol tot 1 september. Omboeken kost 200 euro. Voor de grap kijk ik naar vliegtickets: 47 euro en in 2,5 uur ben ik in Amsterdam. De wereld is oneerlijk verdeeld. Ik blijf bij mijn treinplan – de uitstoot van vliegen voelt niet goed – maar het jeukt (en krabben helpt niet).

Gerelateerde berichten