Wat een rotnacht. Ik sliep het eerste deel heerlijk, maar toen ik eenmaal wakker werd, bleef ik draaien. Het was pas één uur ’s nachts, veel te vroeg om te vertrekken, maar de rust was weg. Zo rommelde ik door de nacht met tientallen keren wakker worden. Tot vier uur beschermde het bos me nog, geen condens in de tent, en de kou viel mee. Maar toen mijn wekker om vijf uur ging, voelde alles klam en koud, de tent was nat van binnen en ik wilde alleen maar slapen. Ochtendhumeurtjes lijken inmiddels vaste prik, zo ken ik mezelf niet. Misschien ligt het aan de kou – mijn slaapzak kan me niet meer warmhouden.
Ik ontbijt snel met muesli en water en ga op pad. Het dal uit, langs de rivier. Onderweg zie ik tentjes, en sporen van steenlawines die zich dwars door het bos een weg naar beneden hebben gebaand. Ik passeer een hydrocentrale en zie de torenspits van een abdij in de verte. Net voordat ik daar aankom, sla ik linksaf, een weg op waar maar één auto doorheen past. Ik steek een duizelingwekkend hoge brug over – zeker zeventig meter boven de rivier – en ga door donkere tunnels verder omhoog. Daarna wordt het pad steil. Ik loop langs een droomhuisje in aanbouw, met een berghond en een enkele geit, en zie zelfs twee eekhoorns wegspringen.
De ochtend is stil. Pas rond tien uur komen de vlinders tevoorschijn. Ze dansen boven natte plekken in de stenen: witte, gele, blauwe, bruine. De sprinkhanen springen ook weer, sommige met knalrode vleugels die alleen zichtbaar zijn als ze opspringen. De marmotten zijn van vroeg tot laat actief; hun gekrijs schalt door de valleien. Ik verdenk ze er soms van dat ze gewoon zitten te ouwehoeren. En overal krioelen mieren, van de kleintjes die ik ken tot enorme exemplaren met rode middenlijven.
Ik passeer een klein dorpje met drie terrassen en een kerk in de steigers. Hier kruisen vijf wandelroutes elkaar. Twintig auto’s op de parkeerplaats – een drukte van belang voor dit gebied. Daarna klim ik verder langs bunkers en de barakken van soldaten. Hier hielden honderd man ooit de Italianen tegen. Op een berg verderop staat nog een fort dat vroeger Italiaans was. Na de oorlog kreeg Frankrijk het fort en de berg. Een wandelaarster vertelde me dat Fransen hier trots ‘bonjour’ zeggen en Italianen koppig ‘buongiorno’ omdat ze vinden dat de berg eigenlijk van hen is. Het fort ziet er indrukwekkend uit, maar ik laat de klim aan me voorbijgaan. Vandaag gaat het niet zo lekker. Ik heb steken in mijn zij, kramp in mijn maag, misselijkheid en mijn evenwicht hapert.
Onderweg vermaak ik me met een eigen spelletje: raden hoe oud mensen zijn aan de hand van hun benen. Het lukt me zelden. De vrouwen hier hebben ongelofelijk jonge, gespierde, gebruinde benen, soms zonder een enkel rimpeltje. Ik gok vaak dertig, maar als ik dichterbij kom, zie ik dat het vrouwen van zestig zijn. Dan kom ik eindelijk iemand tegen die ouder oogt: een man van 88, die sinds Briançon de GR5 loopt. Stapje voor stapje. Een levende legende. Ik begin te geloven dat wandelen in de bergen je werkelijk jong houdt.
Na het fort daal ik af, langzaam, voorzichtig. Bij een monument tref ik Reyery, die ik al eerder ontmoette in de Vogezen. We kletsen wat en ik lucht mijn hart. Even later sluit Lisan aan, een wandelaarster die ik voor het eerst zie. Ze kent de GR’s goed en vertelt me dat de Mercantour droger en stiller zal zijn: minder water, vaak geen internet, pinnen meestal onmogelijk. Ik besluit met haar mee te eten in de herberg. Dankzij haar vertaling krijg ik een maaltijd vol groenten – precies waar ik behoefte aan had.
Na het eten lopen we samen naar de camping. Daar blijkt dit de enige plek te zijn waar nog wat inkopen te doen zijn. Zij koopt chips en koekjes, ik check in, draai een was en koop een paar tomaten en een appel – meer was er niet. Alles contant. Na de zware regenval van juli is de verbinding hier nog steeds vaak weg. Mijn was droogt snel in de wind en de zon. Wanneer ik mijn schone kleren aantrek, ruik ik voor het eerst in weken weer fris wasmiddel.
’s Avonds leeg ik mijn rugzak en ontdek dat ik een ware repenhoarder ben: 36 muesli- en dadelrepen! Ook vind ik nog granen die ik ooit met Simon kocht, plus drie droogmaaltijden. Genoeg brandstof om het traject door te komen, al moet ik zeker zestig kilometer lopen voor de eerste supermarkt. Ik trakteer mezelf op een ijsje en een cola bij de receptie, koop met mijn laatste cash, en geniet intens.
Ik voel me na de douche stukken beter. Mijn buik is rustig en ik heb zin om morgen weer verder te gaan. Of ik een rustdag neem of niet, laat ik nog open. Voor nu kruip ik onder mijn slaapzak, zonder wekker. Ik wil zien of ik beter slaap.