Alkmaar naar Menton – meer, meren, humeur, parapenters – dag 70 – van pad de Roue naar de oever van Ubaye

De nacht was fris, slechts zeven graden, en mijn vingers werkten nauwelijks mee in de ochtend. Een beetje chagrijnig begon ik de dag, maar zodra de zon door de dennen brak klaarde ook mijn humeur op. Soms was het licht gefilterd door de bomen, soms stond ik ineens in een volle zonnestraal. Alsof er een ster speciaal voor mij straalde. Een bruine eekhoorn dook nog even op, te snel voor mijn camera.

Beneden lag het dorp met het kasteel van Queyras, spectaculair gebouwd op een rots, met de rivier eromheen. De GR kronkelde eromheen en stuurde me prompt een zwarte piste op. Komoot probeerde me eromheen te leiden, maar het bordje zei duidelijk: GR5. Dus ging ik. Een been-killer, dit pad, volledig uit gemetselde keien. Je kon je voeten net kwijt op de randen. Andere wandelaars schuifelden net zo voorzichtig omhoog.

Honger en ego

Vandaag wilde ik weer over de 30 kilometer heen, maar nog geen uur later voelde ik dat ik het fout deed: lopen op regels in plaats van gevoel. Ik liet me zakken op het gras naast het pad en at. Honger duldt geen uitstel. Mijn ego tevreden gesteld, kon ik weer verder. Onderweg werd ik ingehaald — voor het eerst deze tocht. Dat mocht de pret niet drukken.

De klim bracht me van dal naar bossen, naar grasvelden en uiteindelijk rotsen rond de piek. De variatie in steen en ondergrond was indrukwekkend. De afdaling vloog ik af en in een dorp aangekomen bleek de buurtsuper net dicht. Pas om 16:00 weer open. Op een terras gaan zitten alleen vond ik treurig, dus liep ik door.

Parapente-mekka

Parapenters vlogen als vogels door de lucht, tientallen tegelijk. Het dorpsveld bleek hun mekka. Ik crashte bij een picknicktafel en viel in slaap bovenop het blad. Asociale Hollander, dacht ik nog, maar het deerde me niet. Na mijn dutje droogde ik mijn tent en kwam de zin terug. Tegenover het veld zag ik de camping municipal. Wat een nitwit ben ik soms, hier had ik kunnen slapen, wassen en opladen.

In plaats daarvan trok ik verder de vallei uit. Families kwamen me tegemoet, van 4 tot 70 jaar oud, alsof het niets was. Aan mijn gekreun en gesteun zullen ze vast gezien hebben dat ik hier niet vandaan kom.

Spiegelmeer en Sainte-Anne

Eerst passeerde ik een stil meer, geheimzinnig groen en diep. Het heette toepasselijk het Spiegelmeer. Daarna nog een klim naar het meer van Sainte-Anne, azuurblauw met een kleine kapel aan de oever. Bivakkeerders zaten al klaar om hun tenten op te zetten. Mij was het er te koud, dus ik koos ervoor door te lopen.

De pas naar 2699 meter was pittig en het pad ernaartoe verraderlijk: los grijs grind, hachelijk smal. Maar boven werd ik beloond met een panorama van pieken, tot de Ecrins en zelfs de Mont Blanc. Zon op mijn huid, wind door mijn haren.

Steil omlaag

De afdaling was de steilste tot nu toe. Komoot had niet voor niets gewaarschuwd: ‘gevaarlijk, alpine uitrusting aanbevolen’. Ik redde het zonder, maar mijn benen trilden. Beneden trok ik mijn fleece aan, at stevig en vulde mijn flessen bij een bron die zo krachtig spoot dat ik mijn petfles nauwelijks vast kon houden.

Nog een stuk door het dal en ik vond snel een bivakplek, zacht op dennennaalden. Met mijn benen omhoog tegen een berk keek ik naar de lucht tot het te koud werd. Daarna hete gemberthee, gloeiende oren en een lijf dat langzaam ontspande.

Toch maak ik me zorgen. Mijn benen voelen elastisch, niet meer 100% onder controle. Ik struikel vaker en de spierpijn is maximaal. Misschien is dit mijn limiet. Maar vannacht slaap ik diep, dat weet ik zeker — al om 21 uur, met de wekker vroeg, om mijn rug te sparen.

Gerelateerde berichten