Ik word wakker in Nambride, naast de rivier, en voel dat ik diep geslapen heb. Het zachte ruisen van het water heeft me de hele nacht wiegend vastgehouden. Vroeg op, de ochtend nog in de lucht, en naar het dorp voor boodschappen. Daar treffen we ook de GR5 weer. De supermarkt heet toepasselijk Sherpa, handig als ze ook alles zouden dragen wat we kochten.
De dag begint vlak, maar al snel wacht er een prachtige waterval. Dat is meteen het startschot voor een maximale klim: een trap van 7000 treden recht de Alpen in, zo voelt het. Boven ontvouwt zich iets bijzonders: een afgesloten vallei, hoog op de rotsen, vol heide, een kronkelende rivier, een refuge en – na nog een klim – een blauw Alpenmeer. Ik trek mijn kleren uit en laat me in het ijskoude water zakken. Visjes pikken fanatiek aan mijn benen en voeten, alsof ze me willen ontdoen van alles wat me hier niet thuishoort. Daarna eten, liggen in de zon, en even slapen. Onder mijn tent opgezet als zonnedek. Voor het eerst sinds dagen trekt er af en toe een wolkje langs.
De volgende klim brengt ons naar een col met uitzicht op twee valleien én de Mont Blanc, helder en dichtbij. We dalen een stukje af en bestellen iets te drinken bij de refuge, maar het is een stoffig tochtgat dus snel weer verder de natuur in. Daarna loop ik verder, terwijl Simon besluit hier te blijven. De rivier slingert door de vallei, er is vlak gras, en ik weet: hij kiest liever voor het stilstaan bij de ultieme spot. Ik ben juist onderweg, altijd met mijn blik op wat nog komt. Zo hebben we beide een vorm van fomo.
De route naar Refuge de Bellachat is optimistisch – misschien té. Het is druk in de vallei, bivaks en tentjes op elke mooie plek. Ik klim verder, het groen maakt plaats voor rotsen. Een marmot gilt terwijl hij het pad over schiet. Niet veel later staat er een berggeit op een rots, breedgeschouderd, onverstoorbaar. Het begint donker te worden en ik zet aan, wil niet in dit maanlandschap overvallen worden door de nacht. Alles is rood: de stenen, de sprinkhanen, zelfs het licht.
Op 2500 meter bereik ik de col le Brévet. De brug in het dal lag op 1600 – wat een klim. Bellachat is nog twintig minuten verder, maar het is druk na de top. Ik kies mijn eigen plek: kleine meertjes, stukjes gras, stilte. Terwijl ik mijn kamp maak, zie ik de ondergaande zon niet direct, maar gespiegeld in de gletsjers van de Mont Blanc. Twee Vlamingen kletsen boven mij op een rots, het geluid draagt licht mee op de wind. Het is net een camping hier met zoveel tentjes, maar niets is minder waar.
Ik eet iets makkelijks – de zakmaaltijden ben ik zat, ik kokhals er bijna van – en denk terug aan het meer van vandaag. Een plek waar je alleen te voet kunt komen, vol natuurliefhebbers, zonder afval. De hoge rotswanden, de vallei van gisteren, alles zit nog in mijn hoofd. Simon en ik hebben een klik: veel zelfspot, hardop denken, en het weer terugnemen. Hij kiest voor het blijven, ik voor het gaan. Leuk hem ontmoet te hebben en dat het hem lukte mij uit mijn marcheer drang te halen.
Toch trekt thuis steeds harder. Naar Jeanine, mijn mannen, de hond, zelfs de kat. Misschien ook wel naar mijn eigen veilige bedje. Maar eerst nog even slapen onder de bijna volle maan, met de Mont Blanc in het vizier.